Uit: Getuigenissen voor de Gemeente deel 5, blz 243

"DE ENE fout brengt de andere mee. Onze broeders moeten leren om intelligent te werk te gaan en niet impulsief. Gevoelens mogen geen uitgangspunt zijn. Plichtsverzuim en vooringenomenheid zullen veronachtzaming met zich mee brengen voor hen die zich inzetten om het werk van God op te bouwen. Jezus zei: "Ik ben gekomen in de naam mijns Vaders en gij neemt Mij niet aan; indien een ander komt in zijn eigen naam, die zult gij aannemen."

Velen zien de prediking niet als het middel dat door Christus is aangewezen om zijn volk te onderwijzen, en dat daarom altijd hoog geschat moet worden. Zij voelen niet dat de preek het woord van de Heer voor hen is, en beoordelen het naar het gehalte van de waarheden die gesproken worden; zij beoordelen het echter zoals zij een toespraak van een advocaat zouden beoordelen - naar het redeneringsvermogen dat wordt getoond en naar de kracht en de stijl van het taalgebruik. De predikant is niet onfeilbaar, maar God heeft hem geëerd door hem Zijn boodschapper te maken. Als u naar hem luistert alsof hij geen machtiging van boven had, zult u zijn woorden niet respecteren en ze ook niet aannemen als de boodschap van God. Uw ziel zal niet gevoed worden met het hemelse manna; er zal twijfel opkomen over sommige dingen die het natuurlijke hart niet bevallen, en u zult de preek beoordelen zoals u dat zou doen bij een lezing of de toespraak van een spreker in de politiek. Zodra de dienst voorbij is zult u klaar staan met klachten of hatelijke opmerkingen, om zo duidelijk te maken dat de boodschap, hoe waar en nodig die ook was, u geen goed heeft gedaan. U kunt er geen waardering voor opbrengen; u hebt de gewoonte aange-leerd om kritiek te leveren en fouten op te sporen, en u kiest zomaar wat uit, terwijl u misschien juist die dingen verwerpt die u het meest nodig hebt.

Er is erg weinig eerbied voor heilige dingen in zowel de Upper Columbia als de North Pacific Conference. De werktuigen die God heeft gekozen zijn bijna geheel uit het oog verloren. God heeft geen nieuwe methode ingesteld om de mensen te bereiken. Als zij zichzelf afsnijden van de middelen die door de hemel zijn aangewezen om hun zonden te berispen, hun fouten te corrigeren en hun het pad van de waarheid te wijzen, is er geen manier meer om hen met een hemelse boodschap te bereiken. Zij worden aan de duisternis overgelaten, en door de tegenstander gestrikt en gevangen.
De dienaar van God krijgt de opdracht: "Roep luidkeels, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin en maak mijn volk zijn overtredingen bekend en het huis van Jakob zijn zonden." De Heer zegt van deze mensen: "Wel zoeken zij Mij dag aan dag en hebben zij een welgevallen aan de kennis mijner wegen, als een volk dat gerechtigheid doet." Hier is een volk dat zichzelf misleidt, eigengerechtig en zelfgenoegzaam is; de dienstknecht van God krijgt de opdracht om luidkeels te roepen en hen op hun zonden te wijzen. Door alle eeuwen heen is dit voor Gods volk gedaan, en dit is nu meer dan ooit nodig.

Het woord van de Heer kwam tot Elia; hij was er niet op uit om de boodschapper van de Heer te zijn, maar het woord kwam tot hem. God heeft altijd mensen gehad aan wie Hij Zijn boodschap toevertrouwt. Zijn Geest werkt aan hun hart en dringt hen te spreken. Gedreven door een heilige ijver en gestimuleerd door de goddelijke prikkel, geven zij zich over aan hun plicht, zonder koel de consequenties te berekenen van het spreken tot het volk van de woorden die de Heer hun gegeven heeft. De dienaar van de Heer beseft echter spoedig dat hij het een en ander riskeert. Hij ondervindt dat hijzelf en zijn boodschap tot onderwerp van kritiek worden gemaakt. Zijn doen en laten, en zijn leven worden in de gaten gehouden en bekritiseerd. Zijn boodschap wordt uiteen gerafeld en naar de inzichten van mensen met beperkt beoordelingsvermogen op zeer vrijzinnige en ongeheiligde wijze verworpen. Heeft die boodschap bereikt wat de Heer wilde? Nee; ze heeft haar doel niet bereikt, omdat het hart van degenen die het hoorden niet geheiligd was.

Als de predikant zich niet laat beïnvloeden, als hij niet beschikt over een onwrikbaar geloof en moed, als zijn hart niet versterkt wordt door voortdurende gemeenschap met God, zal hij zijn getuigenis gaan aanpassen, om de ongeheiligde oren en harten van zijn toehoorders te plezieren. In zijn poging om kritiek, waaraan hij blootstaat, te vermijden, dwaalt hij van God af en verliest zijn gevoel van goddelijke gunst, en zijn getuigenis wordt tam en levenloos. Hij komt tot de ontdekking dat zijn moed en geloof verdwenen zijn, en dat zijn werk krachteloos is. De wereld is vol vleiers en huichelaars die het heerlijk vinden om te vleien; maar getrouwe mannen die niet geïnteresseerd zijn in hun eigenbelang, maar hun geloofsgenoten te zeer liefhebben om de zonde in hen toe te laten, zijn echter dun gezaaid.

Satan heeft zich vast voorgenomen om alle communicatie tussen God en Zijn volk af te snijden, opdat hij zijn bedrieglijke listen kan uitvoeren, zonder dat er een stem is om hen voor het gevaar te waarschuwen. Als hij mensen ertoe kan brengen de boodschapper te wantrouwen of geen heilige waarde te hechten aan de boodschap, weet hij dat zij zich niet verplicht zullen voelen om gehoor te geven aan Gods woord voor hen. Als het licht duisternis wordt genoemd, heeft Satan zijn zin.
Onze God is een jaloers God; Hij laat niet met Zich spotten. Hij die alles werkt naar de raad van Zijn wil, heeft het goed geacht om mensen in verschillende omstandigheden te plaatsen, en hun plichten en geboden op te leggen, speciaal voor de tijd waarin zij leven en de omstandigheden waarin zij geplaatst zijn. Zouden zij het licht waarderen dat hun gegeven is, dan werden hun capaciteiten enorm uitgebreid en veredeld, en werd hen een dieper inzicht in de waarheid gegeven. Het mysterie van eeuwige dingen en in het bijzonder de heerlijke genade van God zoals die wordt gemanifesteerd in het verlossingsplan, zou voor hun verstand ontsloten worden, want het geestelijke wordt geestelijk onderscheiden.

Wij moeten nooit vergeten dat Christus onderwijst door Zijn dienaren. Er kunnen echte bekeringen plaatsvinden zonder bemiddeling van een preek. Waar mensen zo wonen dat zij verstoken zijn van alle genadegaven, worden zij door de Geest van God gedreven en door het lezen van het woord der waarheid overtuigd; Gods aangewezen manier om zielen te redden is echter door "de dwaasheid der prediking". Hoewel menselijk en omvangen door de zwakheden van het menszijn, zijn mensen Gods boodschappers, en de geliefde Heiland wordt gekwetst wanneer door hun werk zo weinig bereikt wordt. Iedere predikant die het grote oogstveld intrekt, moet zijn ambt hoog houden. Hij moet er niet alleen naar streven mensen tot kennis van de waarheid te brengen, maar moet, zoals Paulus dat deed, "ieder mens terecht wijzen en ieder mens onderrichten in alle wijsheid," "om ieder mens in Christus Jezus volmaakt te doen zijn;" daarvoor moet hij zich inzetten.

De man moet uitsluitend gezien en gewaardeerd worden als Gods ambassadeur. Het is God niet aangenaam als de man geprezen wordt. De boodschap die hij brengt moet onderworpen worden aan de toets van de Bijbel. "Tot de wet en tot de getuigenis! Voor wie niet spreekt naar dit woord, is er geen dageraad." Het woord van God mag echter niet naar menselijke maatstaf beoordeeld worden. Het is altijd zo dat zij die een aardse instelling hebben, die een gebrekkige christelijke ervaring hebben en slechts weinig afweten van de dingen Gods, degenen zijn die het minste respect hebben voor Gods dienaren en de minste eerbied voor de boodschap die Hij hun vraagt uit te dragen. Zij luisteren naar een indringende predikatie en gaan naar huis om er daar een oordeel over te vellen, en de indruk verdwijnt uit hun geest als de morgendauw voor de zon. Als de predikatie een emotioneel karakter heeft gehad, dan zal dit hun gevoel aangrijpen, maar niet hun hart en geweten. Zo'n predikatie levert geen blijvend voordeel op, maar wint vaak de harten van de mensen en roept hun sympathie op voor de man die hun bevalt. Zij vergeten dat God zegt: "Laat toch af van de mens, wiens adem in zijn neus is, want wat is hij te achten?"

Jezus wacht met groot verlangen om aan Zijn volk de heerlijkheid te kunnen ontvouwen die samengaat met Zijn tweede komst, en hen te brengen tot een overpeinzing van het gelukzalige landschap. Er zullen wonderen geopenbaard worden. Een lang leven van gebed en studie zal nog veel onbestudeerd en onverklaard overlaten. Wat wij echter nu niet weten, zal hierna geopenbaard worden. Het werk van onderricht dat hier een aanvang heeft genomen, zal tot in de eeuwigheid worden voortgezet. Het Lam zal, terwijl Hij de menigten verlosten naar de Bron van het levende water leidt, rijke schatkamers van kennis openen; Hij zal mysteriën ontrafelen in Gods werken en voorzienigheid, die nooit tevoren zijn begrepen.

Wij kunnen door onderzoek God niet volkomen leren kennen. Hij legt Zijn plannen niet open voor speurende, nieuwsgierige geesten. Wij moeten niet proberen om met aanmatigende hand het gordijn op te lichten, waarachter Hij Zijn majesteit verbergt. De apostel roept uit: "O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen!" Het is een bewijs van Zijn genade dat Hij Zijn kracht verborgen houdt, dat Hij Zich hult in de ontzagwekkende wolk van mysterie en duisternis, want het oplichten van het gordijn dat de goddelijke aanwezigheid verbergt, betekent de dood. Geen menselijk verstand kan doordringen tot de verborgenheid waarin de machtige God woont en werkt. Wij kunnen niet meer begrijpen van Zijn omgang met ons en de motieven die Hem bewegen, dan Hij goed acht te openbaren. Hij bestuurt alles met rechtvaardigheid, en wij moeten niet ontevreden en wantrouwig zijn, maar ons in eerbiedige overgave neerbuigen. Hij zal zoveel van Zijn bedoelingen aan ons openbaren als voor ons goed is te weten, en verder moeten wij de hand die almachtig en het hart dat vol van liefde is, vertrouwen."

Uit: Getuigenissen voor de Gemeente deel 5, blz 243