Uit: Getuigenissen voor de Gemeente deel 5 blz. 592


Er is een jammerlijk gebrek aan geestelijk leven onder onze mensen. Er moet nog heel wat gebeuren voordat zij kunnen worden wat Christus met hen voor had - het licht voor de wereld. Jarenlang is mijn ziel bezwaard geweest als de Heer mij het gemis aan Jezus en Zijn liefde in onze gemeenten liet zien. Er is een geest van zelfgenoeg-zaamheid en een neiging om te streven naar positie en gezag. Ik heb gezien dat zelfverheerlijking algemeen wordt onder zevende-dags-adventisten, en dat, tenzij de trots van een mens in het stof wordt gelegd en Christus wordt verhoogd, wij als volk bij de wederkomst in geen betere conditie zijn om Christus te ontvangen, dan de joden bij de eerste komst.

De joden keken uit naar de Messias, maar Hij kwam niet zoals zij dat hadden voorspeld, en als Hij was aangenomen als de Beloofde Messias, zouden hun geleerde leraren gedwongen zijn geweest te erkennen dat zij zich vergist hadden. Deze leiders hadden zich van God afgescheiden, en Satan werkte op hen in, om hen ertoe te brengen de Verlosser te verwerpen. Zij sloten liever hun ogen voor alle bewijzen dat Hij de Messias was, dan dat zij hun trotse opvattingen loslieten; niet alleen verwierpen zij zelf de boodschap van de verlossing, maar ook verhardden zij de harten van de mensen tegen Jezus. Hun geschiedenis moet voor ons een ernstige waarschuwing zijn. Wij hoeven nooit te verwachten dat, wanneer de Heer licht heeft voor Zijn volk, Satan rustig blijft toezien zonder enige moeite te doen om te voorkomen dat zij het zullen ontvangen. Hij zal het verstand bewerken om wantrouwen, jaloezie en ongeloof op te wekken. Laten wij oppassen dat wij geen licht weigeren dat God ons zendt, omdat het ons niet aanstaat. Laten Gods zegeningen ons niet worden ontnomen, omdat wij de tijd niet hebben opgemerkt dat God naar ons omzag. Als er mensen zijn die zelf het licht niet zien of willen aannemen, laten zij anderen dan niet in de weg staan. Laat van dit zo bevoorrechte volk, niet gezegd worden, zoals van de joden, toen het goede nieuws van het Koninkrijk hun gepredikt werd: "Zelf zijt gij niet binnengegaan en hen, die trachtten binnen te gaan, hebt gij tegengehouden."

In Gods woord wordt ons geleerd dat het nu meer dan ooit, de tijd is, waarin wij kunnen uitzien naar licht uit de hemel. Het is nu dat wij een verfrissing van het aangezicht van de Heer kunnen verwachten. Wij moeten uitzien naar de voorzienigheden van God, zoals het leger van Israël uitzag naar "een geluid van schreden in de toppen van de balsemstruiken" - het afgesproken signaal, dat de hemel zich voor hen zou inzetten. God kan Zijn naam niet verheerlijken door Zijn volk, als zij op een mens vertrouwen en vlees tot hun arm stellen. Hun huidige toestand van zwakte zal voortduren tot alleen Christus verhoogd zal worden; tot zij met Johannes de Doper met een nederig en eerbiedig hart zullen zeggen: "Hij moet wassen, ik moet minder worden." Mij zijn woorden gegeven om tot het volk van God te spreken: 'Verhoog Hem, de Man van Golgotha. Laat de menselijke natuur een stap terug doen, zodat iedereen Hem kan zien, in Wie hun hoop op het eeuwige leven is gevestigd. De profeet Jesaja zegt: "Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op Zijn schouders en men noemt Hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vrede-vorst." Laten de gemeente en de wereld op hun Verlosser zien. Laat iedere stem met Johannes uitroepen: "Zie, het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt." Voor de dorstende ziel staat de bron van levend water open. God zegt: "Ik zal water gieten op het dorstige en beken op het droge." Aan mensen die ernstig op zoek zijn naar licht en met vreugde ieder sprankje van goddelijke verlichting uit Zijn heilig woord aannemen, alleen aan zulke mensen zal licht worden gegeven. Het is door deze mensen dat God dat licht en die kracht zal openbaren, die de hele wereld met Zijn heerlijkheid zal verlichten.